naar top
Menu
Logo Print
Artikel - 15/11/2017

“MONUMENTEN MOGEN GEEN OPGELEGD FRUIT WORDEN"

Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck wil erfgoed versterken in zijn toekomstwaarde

“Als we aan het huidige tempo blijven klasseren, staat de planeet binnen x-aantal jaren vol met alleen maar erfgoed." Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck legt de vinger meteen op de wonde. Hoe groter het aantal beschermde monumenten, hoe urgenter immers de nood aan creatieve oplossingen om deze gebouwen in leven te houden. “We moeten niet alleen nadenken over wat we beschermen, maar ook over wat die bescherming inhoudt", aldus Van Broeck. “Dat debat moet nú gevoerd worden."

HET GEVAAR VAN ONDERLIGGENDE NOSTALGIE

Van Broeck laat er geen misverstand over bestaan: we hebben te veel erfgoed. Op de vraag wat daarvan aan de oorsprong ligt, antwoordt hij even stellig: angst. “We zijn wat nostalgisch geworden met alles wat oud is. We zijn bang voor identiteitsverlies en dus klampen we ons vast aan alles wat onze culturele identiteit lijkt te omvatten."

Ouderdom vs. architecturale waarde

“Het probleem is dat ouderdom daardoor vaak de bovenhand haalt. Kijk naar hoe we omgaan met modernistisch erfgoed. Op de Nieuwe Graanmarkt in Brussel staan een prachtige betonnen kerk en een art-decogebouw met een unieke spiraalstructuur waar vroeger fruit verhandeld werd ... twee gebouwen met een uitzonderlijke architecturale waarde, maar het zijn wel de enige twee die niet beschermd zijn. Terwijl al die oude, standaard, negentiende-eeuwse geveltjes waarvan er 85 in een dozijn zijn, wel beschermd worden, omdat ze oud zijn. Dat klopt niet. Het markante van een gebouw zou altijd moeten opwegen tegen de ouderdom."

“Van elk monument zou je moeten kunnen zeggen: het beste moet nog komen"
Niet alle erfgoed is gelijk
We moeten met andere woorden selectiever zijn. Maar dat niet alleen. “Een bescherming werkt vandaag als een aan-uitknop. De niet-beschermde panden staan bij wijze van spreken onderaan de kliffen van Dover, de monumenten, van de kleinste pruts tot de mooiste kerk, staan helemaal bovenaan.

Je zou daar een waardeschaal aan moeten geven. Niet met punten en nummertjes, geen kafkaiaanse gewichten die voer zijn voor advocaten, maar wel een appreciatienuancering. Dan kan je zeggen: dit beschermen we omdat het markant is, maar we hebben er nog twaalf van, dus het had net zo goed niet beschermd kunnen zijn, en dit beschermen we omdat het echt een pièce unique is."

BESCHERMEN IS NIET HETZELFDE ALS INTACT HOUDEN

“We moeten daarnaast ook goed nadenken over onze definitie van beschermen," vervolgt Van Broeck. “Heel wat erfgoed staat vandaag leeg en in de historische stadscentra dient het enkel nog als decor voor toeristen op een terrasje, die er met een trappist in de hand naar kunnen kijken. Maar er gebeurt niets mee. Als je een gebouw behoudt en stelt dat het intact moet blijven, dan ben je volgens mij niet goed bezig. Gebouwen mogen geen opgelegd fruit worden, het zijn geen dode objecten; het zijn dynamische processen. De dag dat een gebouw stopt met veranderen, sterft het."

“Soms moet je een gebouw aantasten om het beter te maken. Dan is het niet meer aantasten; dan is het redden"
Toekomstige erfgoedwaarde

“De ambitie bij een monument moet dan ook zijn om het in leven te houden, om het gebruik gaande te houden. In principe moet je van elk stuk erfgoed kunnen zeggen: het beste moet nog komen. En dat betekent dat je ook veranderingsprocessen moet toelaten, dat je wel degelijk mag ingrijpen. Tenminste, als de toekomstige erfgoedwaarde daar beter van wordt.

Stel: je hebt een barokpaleis waarvan één gevel beschadigd is. In plaats van die gevel minutieus te reconstrueren, zie je het als een kans en plaats je een glazen gevel, zodat het gebouw als een poppenhuis naar het publieke plein geopend wordt. Dan praat het erfgoed open over zichzelf met iedereen die daar langskomt. Dat is interessant. Of kijk naar de bunker die architectenbureau RAAAF en Atelier Lyon in Nederland doorzaagden: dat is nu een vredesmonument en het is didactisch interessant omdat je eindelijk kan zien hoe dik de wanden en hoe klein de kamertjes zijn. Dat zijn toekomstige erfgoedwaarden die beter zijn dan die van het verleden.

We moeten met andere woorden veel toleranter zijn in het ingrijpen in beschermde gebouwen, en veel ambitieuzer in de creativiteit, de originaliteit en de toekomstwaarde van een herbestemming."

Je moet alle brillen dragen

“Op dat moment betekent bescherming dat je met het gebouw mag omgaan, dat je het mag herbestemmen en dat je het zelfs gedeeltelijk mag afbreken, maar dat je dat wel steeds doet in overleg met het Agentschap Onroerend Erfgoed. Wat niet wil zeggen dat de erfgoedbril de enige is die iets te zeggen heeft! Nee, het is de som van alle gewichten - historisch, architecturaal, maatschappelijk, … - die betekenis geeft aan een nieuwe interventie. Je moet al die brillen dragen, waarbij de veeleisendheid en het ambitieniveau van de erfgoedbril toenemen naarmate de waarde en de reden van de bescherming belangrijker zijn.

“Er worden wel degelijk heel wat creatieve en interessante dingen gedaan, en maar liefst 80% van de adviezen wordt goedgekeurd"

Een mogelijkheid is om de erfgoedboodschap op een kleiner aantal stukken leesbaar te houden en verder voorrang te geven aan een menselijk leefbaar, maatschappelijk relevant gebruik. In tijden met een gigantisch tekort aan sociale woningen is het toch pervers om urgente budgetten uit te geven aan de restauratie van 450 sociale woningen die allemaal met speciaal duur enkel glas en volgens de oude asseblokkentechnieken heropgebouwd moeten worden, om vervolgens onleefbaar te zijn wegens te koud? Behoud dan één woning, restaureer ze minutieus en zorg voor een grondige, leefbare en betaalbare renovatie van de andere 449."

NOOD AAN EEN HELDER ERFGOEDBELEID

Toch is het probleem met ons erfgoedbeleid volgens Van Broeck niet zozeer dat er niets mogelijk is - “er worden wel degelijk heel wat creatieve en interessante dingen gedaan, en maar liefst 80% van de adviezen wordt goedgekeurd", maar eerder dat het ontbreekt aan een duidelijke visie. Daardoor worden er heel wat verschillende interpretaties gehanteerd, wat dan weer leidt tot willekeur.

“Je weet niet welk advies je in welke context zal krijgen", aldus Van Broeck. “Je bent volledig afhankelijk van de erfgoedconsulent die je over de vloer krijgt. Die willekeur kunnen we enkel uitsluiten als er een heldere visie uitgeschreven wordt en die ook in de erfgoedopleidingen onderwezen wordt."

Maatschappelijk debat

“Je kan echter niet zomaar vanuit één visie een nieuw beleid door de strot van de maatschappij rammen. De mensen moeten overtuigd worden en iedereen moet een stem krijgen, ook zij die bang en behoudsgezind zijn." Met initiatieven als de Meesterproef, die dit jaar volledig in het teken stond van Erfgoed en Herbestemming, en het Festival van de Architectuur hebben het Team Vlaams Bouwmeester, het Agentschap Onroerend Erfgoed en het Vlaams Architectuurinstituut het thema alvast duidelijk op de agenda gezet. “De Bouwmeester heeft uiteraard geen beleidsbevoegdheden, maar ik denk dat ook de overheid vandaag wel inziet dat het maatschappelijke debat gevoerd moet worden en dat dat ten gronde moet gebeuren. Op een constructieve manier. We moeten naar alle partijen luisteren en zorgen dat er een werkbaar model komt waarin niemand voor 100% zijn zin krijgt."

"Het is de uniciteit van elk gebouw, de combinatie van het nieuwe en het oude op die specifieke plek, in die specifieke context en met dat specifieke programma, die aanleiding moet geven tot een beslissing"
Kwaliteitskamer

Ook wat betreft de beslissingen over individuele monumenten, moet er volgens Van Broeck meer ruimte zijn voor constructief debat. “Zoals ik al zei, mag het niet allemaal in handen liggen van het Agentschap Onroerend Erfgoed. Er moeten bijvoorbeeld ook architecten en stedenbouwkundigen in het beslissingstraject betrokken worden.

Ik zie het als een kwaliteitskamer: een kleine entiteit van vijf of zes partijen die samen alles afwegen en verplicht zijn om na het debat tot een consensus te komen. En natuurlijk moeten daar regels aan vasthangen. De beslissingen moeten binnen een bepaalde termijn genomen worden en men mag er niet op terugkomen. Maar tegelijk moeten we ook af van het idee dat dingen altijd of nooit kunnen. Er zijn geen precedenten. Het is de uniciteit van elk gebouw, de combinatie van het nieuwe en het oude op die specifieke plek, in die specifieke context en met dat programma, die aanleiding geeft tot een beslissing."

Geen verloren zaak

“Uiteindelijk geloof ik wel degelijk dat er een mooie toekomst is weggelegd voor een meer visionair en gedurfd erfgoedbeleid", besluit Van Broeck. “Er is ondertussen al veel meer mogelijk dan voordien en tijdens de Meesterproef werd duidelijk dat heel wat erfgoedconsulenten wel degelijk bereid zijn om constructief en creatief mee te denken. Daar komen bovendien schitterende resultaten uit, dus ik zie wel degelijk de opklaring hangen; niet de bui."

DRIE TIPS VOOR ARCHITECTEN
1. betrek het beleid
“Architecten moeten het debat durven te sturen en te voeren", aldus Van Broeck. “Je moet niet eerst een jaar ontwerpen om dan met een mooie tekening bij de erfgoedconsulent aan te kloppen, waarop je vervolgens meteen afgeschoten wordt omdat er geen debat gevoerd is. Nee, je moet iedereen die meebeslist over de betekenis van het gebouw - het Agentschap Onroerend Erfgoed, maar ook andere beleidsmakers en politieke actoren - zo snel mogelijk bij het project betrekken."

2. luister naar alle leden van je ontwerpteam
“Begin dus niet te snel te tekenen, maar trek het conceptuele debat lang en ver genoeg open alvorens je keuzes maakt. Praat met zo veel mogelijk mensen over de mogelijkheden, zowel technisch als creatief, en luister naar alle leden van je ontwerpteam."

3. gebruik de bouwhistorische studie als ontwerpmiddel
“Laat ook meteen een grondige bouwhistorische studie uitvoeren. Niet om die per definitie slaafs te volgen, maar wel om de logica van het gebouw te leren kennen en er voordeel jemee te doen. Historische studies zijn niet zomaar een verhaal dat je nodig hebt om aan de vereisten te voldoen; ze zijn het begin van het bouwen van een nieuw vocabularium. Je moet ze gebruiken, er creatief mee omgaan. Want wie weet, vind je net door dat onderzoek de sterkste, meest gedurfde ideeën."