Twintig jaar EPB: van weerstand naar weerbaarheid
Hoe twee decennia EPB de bouwcultuur fundamenteel hebben verschoven
Twintig jaar EPB heeft de Vlaamse bouwsector diepgaand veranderd. Wat begon als een omstreden verplichting, groeide uit tot een bepalende motor voor betere gebouwen, nieuwe ontwerpstrategieën en een ander begrip van comfort. In dit dubbelinterview blikken Griet Verbeeck (UHasselt) en Joost Declercq (Archipelago) terug op de evolutie, de groeipijnen en de toekomst van energieprestatie. Hun inzichten tonen hoe regelgeving, ontwerp en gedrag elkaar beïnvloeden en waarom sufficiëntie en klimaatrobuustheid de volgende grote stappen moeten worden.
Steeds strenger, steeds duurzamer
Twintig jaar EPB is een mooi ijkpunt. Wat is volgens jullie de grootste structurele verandering die EPB heeft teweeggebracht?
Griet Verbeeck: “Ik had nooit gedacht dat we vandaag gemiddeld E0 zouden halen voor nieuwbouwwoningen. Dat cijfer uit het laatste EPB‑rapport had niemand twintig jaar geleden kunnen voorspellen. Wat hierin cruciaal is geweest, is de verstrenging om de twee jaar. In de beginperiode werd die veel te laat gecommuniceerd — wijzigingen in november, invoering in januari.
Maar vanaf 2013 werd het hele verstrengingspad tot de BEN-eis duidelijk gecommuniceerd. Dat zorgde voor een mentale shift: architecten en bouwheren beseften dat het alleen maar strenger zou worden en begonnen vooruit te ontwerpen, ook vanuit de impact van het E-peil op de waarde van de woning. De vraag blijft wel of alle woningen met een laag E-peil in de praktijk echt zo energiezuinig zijn.”
Joost Declercq: “Als architect heb ik die shift hard gevoeld. Future‑proof ontwerpen richting BEN werd een verkoopargument in de vastgoedwereld. EPB kwam net toen ik in de praktijk startte. Er was weerstand tegen bijkomende reglementering, maar architecten mochten zelf EPB‑verslaggever zijn en velen gingen er vol goede bedoelingen mee aan de slag. Voor het eerst hadden we een tool om kwantitatief naar een gebouw te kijken — dat was bijna een openbaring.
In het begin gebruikten veel architecten EPB zelfs als ontwerptool, hoewel het daar niet voor bedoeld was. Maar naarmate bouwknopen, ventilatie en verlichting erbij kwamen, haakten de meeste architecten af. Tegelijk werden zaken zoals luchtdichtheid een vanzelfsprekend thema, terwijl dat vroeger nauwelijks bestond. EPB heeft energetisch duurzaam bouwen bespreekbaar gemaakt. Het gaf ons een taal om over energieverbruik te praten. Of het de juiste taal is, daar kun je over discussiëren, maar het gesprek is er wel gekomen.”
Technologie vs ontwerp
Is EPB te technisch geworden?
Griet Verbeeck: “Ik merk dat woningen almaar meer machines worden. Veel ontwerpers lijken minder bereid om inspanningen te leveren om die technologie te vermijden door passieve maatregelen zoals zonwering, raamstrategieën, compactheid, … Ze grijpen dan naar een warmtepomp, ventilatiesysteem D en andere technieken om aan de EPB-verplichtingen te voldoen. Bedrijven spelen daar ook slim op in. Zo merk ik dat bij studenten en collega’s de overtuiging leeft dat systeem D verplicht is, terwijl dat niet zo is. Er ontstaan dus soms wel mythes die niet correct zijn.”
Joost Declercq: “EPB heeft een stroomversnelling veroorzaakt in technologische niches. Een duurzaam gebouw werd zo meer en meer de optelsom van hoogtechnologische componenten. Daardoor ontstond ook de perceptie dat duurzaam bouwen ‘duur bouwen’ is. Ontwerpers vielen meer en meer terug op ‘plug-and-playcomponenten’ om het E‑peil te halen, in plaats van robuust te ontwerpen. Het S‑peil was een poging om passieve maatregelen te valoriseren, maar werd door de sector als beperkend gezien en heeft zo nooit zijn beoogde impact kunnen hebben.”
Rebound, prebound en comfortverschuivingen
Waarom daalt het reële energieverbruik niet even sterk als het berekende?
Joost Declercq: “Het rebound‑effect speelt een grote rol: mensen gaan slordiger om met energie omdat hun woning zogezegd zuinig is. Ledverlichting, overal verwarmen, ventilatiesystemen die alles op gelijke temperatuur brengen - dat leidt tot meer verbruik. Het Solar Rebound Effect is ondertussen een wetenschappelijk vaststaand feit: wie veel PV heeft, verbruikt vaak ook meer.”
Griet Verbeeck: “Ook vloerverwarming en open vloerplannen dragen hiertoe bij. Ze maken het comfortabel om overal te verwarmen. Daarnaast zien we dat woningen op papier goed scoren, maar in de praktijk nog veel verbruiken. Studenten die hun eigen woning analyseren, merken dat vaak. Opvallend daarbij is dat woningen met veel PV-panelen vaak ook de grootste verbruikers zijn. Een deel van dat verbruik is weliswaar zonne-energie, maar zonnepanelen zetten vaak aan tot meer verbruik.
Bij renovaties zien we vaak ook een preboundeffect: daar waar bewoners vóór renovatie minder verbruikten dan verwacht, gaan ze na renovatie meer verbruiken, omdat ze denken dat hun energetisch verbeterde woning alles compenseert.”
Waar is EPB volgens jullie scheefgegroeid?
Joost Declercq: “De focus op primaire energie heeft de aandacht te sterk naar installaties verschoven. Investeren in een goede schil gaat een gebouwleven mee, installaties niet. Bovendien is de performance gap groot: gebouwen verbruiken in realiteit vaak dubbel zoveel als berekend. Complexe regelsystemen vergroten die kloof.”
“EPB was een goed instrument, maar zit aan zijn grenzen" - Joost Declercq (Archipelago)
Griet Verbeeck: “Monitoring van de energiesystemen helpt, maar veel mensen kunnen de data niet interpreteren. Domotica maakt ons afhankelijk van systemen die we niet altijd begrijpen. Daardoor verliezen we voeling met het klimaat en met ons eigen comfort. Veel bewoners weten bijvoorbeeld niet meer hoe ze een woning na een hittegolf moeten afkoelen. Die afhankelijkheid van technologie maakt ons hulpelozer, terwijl oudere gebouwen vaak slimmer inspeelden op het klimaat zonder complexe systemen.”
Bredere gebouwkwaliteit
Moet EPB dan meer inzetten op comfort, gezondheid en levensduur?
Joost Declercq: “Comfort wordt vaak vertaald naar ‘meer techniek’. Dat leidt tot ontsporing. We moeten onze definitie van comfort herdenken, zeker met de klimaatverandering.”
Griet Verbeeck: “Wat nu als ideaal comfort wordt beschouwd – overal dezelfde temperatuur – is eigenlijk niet gezond. Variaties in temperatuur maken ons fysiek weerbaarder. Dat inzicht ontbreekt nog in de regelgeving. Healthy discomfort – het inzicht dat lichte, natuurlijke temperatuurverschillen gezonder zijn voor het lichaam – is een concept dat we moeten omarmen. Het leidt tot gebouwconcepten die minder energie vragen omdat permanente gelijkmatige temperatuur niet noodzakelijk is en zelfs kan leiden tot hoger verbruik.”
Welke ontwerpprincipes wegen het zwaarst?
Joost Declercq: “Beglazingsratio, oriëntatie en zonwering blijven de drie bepalende ontwerpkeuzes. Grote glaspartijen zijn verleidelijk, maar één vierkante meter glas kan tot 700 à 800 watt warmte binnenbrengen. Wie die zonnelast niet beheerst, moet later compenseren met technieken, wat leidt tot hogere koelvraag en complexiteit. Daglichtontwerp hoort daarbij: het is een keuze die je alleen in de ontwerpfase kunt maken. Vier gevels identiek behandelen werkt niet; zon en schaduw verschillen per oriëntatie. Een gebouw dat vanaf het begin rekening houdt met zoninstraling, beschaduwing en daglicht, heeft veel minder nood aan actieve technieken en blijft klimaatrobuust.”
Griet Verbeeck: “Zonnewinsten worden nog te vaak bekeken vanuit wintercomfort, terwijl oververhitting almaar belangrijker wordt. Moderne gebouwen hebben grote glaspartijen die in de zomer enorme warmte binnenlaten. Isolatie is niet het probleem; beglazing wel. Daarom zou buitenzonwering standaard moeten zijn: luifels, screens, luiken of doeken die we zelf draperen.
"Toegang tot betaalbare energie zou in de toekomst minder vanzelfsprekend kunnen worden" - Griet Verbeeck (UHasselt)
Het zijn robuuste, energiearme oplossingen die passen binnen sufficiëntie. Passieve strategieën blijven essentieel, ook nu actieve technieken snel evolueren. Want voor actieve systemen heb je altijd energie nodig, en toegang tot (betaalbare) energie zou in de toekomst minder vanzelfsprekend kunnen worden, gezien de geopolitieke verschuivingen in de wereld.”
Wat betekent de nieuwe EPBD voor Vlaanderen?
Joost Declercq: “De herziene EPBD stelt duidelijk: eerst passieve maatregelen, dan pas actieve technieken. Dat is een koerswijziging die de technologische reflex doorbreekt. Europa heeft ook begrepen dat dit niet houdbaar blijft binnen de huidige geopolitieke realiteit en extra risico’s en afhankelijkheid creëert. Zomercomfort wordt expliciet genoemd, wat de focus verschuift naar klimaatrobuustheid. Ontwerpers moeten opnieuw vertrekken van gebouwlogica: oriëntatie, schil, inertie, zonwering en natuurlijke ventilatieve koeling, kortom ‘robuust architecturaal ontwerp’.”
Griet Verbeeck: “Voor renovatie blijft de uitdaging groot. Labels sturen soms naar de weg van de minste weerstand: PV-panelen plaatsen om het label te verbeteren, zonder het verbruik echt te verlagen. Daardoor scoren woningen op papier goed, maar verbruiken ze nog altijd veel. De Europese versnelling vraagt om een bredere blik: echte prestaties en sufficiëntie.”
Renovatie en sufficiëntie
Hoe maken we renovatie haalbaar en kwalitatief?
Joost Declercq: “Energetische renovatie wordt vaak benaderd vanuit efficiëntie onder het motto ‘meer is beter’, maar soms is het relevanter om bepaalde EPB‑plichtige ingrepen te herdenken om sufficiënt te kunnen werken. Het project Slow Heat toont dat comfort ook anders kan: met minimale ingrepen bespaarden gezinnen 50 tot 60% energie. Renovatie moet vertrekken van wat een gebouw al kan: structuur, schil, geometrie, oriëntatie. Een architect moet een gebouw bouwfysisch kunnen ‘lezen’ en met gerichte ingrepen verbeteren.”
Griet Verbeeck: “Studenten evolueren van nieuwbouw-denken naar renovatie‑denken. Daarbij geeft sufficiëntie de vrijheid om te doen wat echt nodig is, in plaats van wat het label vraagt. Grote onderbenutte woningen kun je renoveren door bepaalde kamers comfortabel te maken zonder het hele gebouw in te pakken. In die zin vraagt renovatie een bredere blik: energie, materialen, CO₂‑impact, biodiversiteit en omgeving.”
Waar hopen jullie dat we binnen twintig jaar staan met EPB?
Griet Verbeeck: “Ik hoop op een geïntegreerde beoordeling over de volledige levenscyclus, met aandacht voor sufficiëntie, biodiversiteit en omgeving. En dat liefst met eenzelfde tool.”
Joost Declercq: “EPB was een goed instrument, maar zit aan zijn grenzen. We moeten vermijden dat we in één richting vastlopen. De milieu-impact stopt niet bij de gevels; ook de ruimtelijke ordening en omgeving spelen mee.”
WIE IS WIE?
Griet Verbeeck
Professor duurzame architectuur aan UHasselt, expert in energie, comfort en sufficiëntie. Was betrokken bij de wetenschappelijke onderbouw van EPB en begeleidt onderzoek naar regeneratief en sufficiëntiegericht bouwen.
Joost Declercq
Ir.-architect en partner bij Archipelago architecten, gespecialiseerd in duurzaam en circulair bouwen, bouwfysica en klimaatrobuust ontwerp. Gastprofessor bouwfysica aan UHasselt en actief in onderzoek naar sufficiëntie, zomercomfort en lowtechstrategieën.